Echt leren rijden, dat doe je pas als je dag in dag uit in de file staat. Hoelang je dat voorlopig en/of echt rijbewijs dan al hebt, doet er in feite niet toe. Kijk maar naar mij, al bijna vijf jaar trotse bezitter van een ‘rijbewijs’ waarvan twee jaar van dat echte roze vodje. Maar echt rijden, door weer en wind, met snelheidsduivels en zondagsrijders, met afslagen en opritten, dat leer ik pas nu. En het zijn harde lessen.
Vandaag was het de eerste keer dat ik in zo’n mist reed. Geen twee meter zag ik voor me, en zolang ik op de autostrade was ging dat nog. Genoeg lichtjes van de voor-, naast- en tegengangers om een ongeveer positie op de baan te kunnen bepalen. Het werd al iets moeilijker toen ik in de buurt van mijn afrit kwam, wat mogelijk de kortste en meest onzichtbare afrit van België is. Gelukkig moest die lieve chauffeur voor mij ook net afslagen en zag ik zo net op tijd zijn pinker aanspringen, om te ontdekken dat ik er ook af moest. Ja, zo erg was het, ik kon de afrit amper zien toen ik er al naast reed. En als je die afrit op bent, dan kom je terecht op een ieniemienie klein wegje met langs beide kanten een beek en hier en daar een oprit waar je moet op manouvreren om de tegenliggers op dat ubersmalle wegje door te laten. Ik zette mijn rijstijl voort, bomparijden in het kwadraad was het vandaag, en vreesde voor mijn leven – enfin, meer voor het leven van mijn auto, want de dag dat die iets oploopt dan zit ik pas echt met de gebakken peren. Enfin, aan 10 km per uur ben ik door dat kleine wegje getrot. Nog even mijn grootlichten op om die gevaarlijke bocht te nemen en dan was ik eindelijk in mijn straat. Of ik goed geparkeer sta weet ik niet, want ik kon amper de trotoir zien.
Dit is een avontuur dat goed is afgelopen. Maar het lijkt me een goed moment om het eens te hebben over de avonturen van de laatste twee maanden die minder goed zijn afgelopen. Het begon allemaal tijdens de tweede les van de yoga. Bij het afzetten van Diamant bij haar thuis, die zelfs in nòg een smaller wegje woont dan hierboven gesteld (gewoonweg geen opritten om uit te wijken en achteruit rijden om tegenliggers door te laten is noodzakelijk – de wet van de sterkste), ben ik tegen haar poort gereden. Jawel, tegen de poort van een vriendin haar huis… De poort had niets. De auto daarentegen is weer een paar schrammen en een mooie bluts rijker. Schrik dat ik had om naar huis te gaan, maar mijn ouders vonden het eerder hilarisch dan wat anders, mijn eerste accidentje. Eind goed, al goed en de auto heeft een oorlogswonde meer, dat kon er wel bij.
Een avontuur dat iets minder goed afliep en waaraan ik nog steeds trauma’s overhoud, was amper een week later toen ik ons eten dat we bij de chinees besteld hadden ging afhalen. De grote toegangweg tussen mijn boerengat en het dorp waar mijn hele leven – en dus ook de afhaalchinees – zich bevindt was afgesloten en ik mocht, u mag het al raden, weer langs een klein wegje (en dit is by the way nog een ander wegje dat de hierboven gestelde wegjes, een wegje dat mijn zus na twee jaar haar voorlopig rijbewijs te hebben nog steeds niet in mag van papa). Ik reed braaf en kalm, want amper de dag ervoor had ik bijna een aanrijding gehad met een collega toen ik een beetje de ongeduldige kwibus aan het spelen was voor het rood licht (je kan niet geloven hoe gênant dat is, ik durf hem nog steeds niet aankijken) en vanaf dan had ik me voorgenomen mijn leven te beteren en braaf te rijden (wat ik trouwens nog steeds doe, trauma’s!) en zag een kat aan de kant van de weg zitten. Nu die kat zat daar braaf en als die kat braaf was blijven zitten was er geen probleem geweest, maar die kat moet net op het moment dat ik haar op een meter passeerde verschoten zijn en de verkeerde kant zijn uitgelopen: onder mijn wielen. Je kan niet weten wat dat met een mens doet, met een kattenmens als ik, waarvoor katten gelijk staan aan mijn broers en zussen, waarvoor ik door een vuur zou gaan. Een kat onder de wielen van mijn auto. Ik was in paniek en hyperventileerde. Mijn zus naast mij zei dat we moesten stoppen en gelukkig, gelukkig leefde de kat nog. Ze was boos en mankte maar kon nog lopen. Opluchting. In paniek naar mama gebeld wat we konden doen. Niets natuurlijk. Een kat laat zijn bijna-moordenaar toch niet in zijn buurt komen. Ongelukkig heb ik de kat daar achter gelaten en hoop ik nog steeds elke dag dat het goed is gekomen, want het verdriet dat ik heb meegemaakt toen mijn kat onder een auto was terechtgekomen, die wens ik niemand toe. Maar het doet pijn: weten dat hier ergens op de wereld iemand is die recht heeft zo boos op mij te zijn als ik boos ben op de persoon die mijn kat heeft aangereden en zijn dood heeft veroorzaakt. Mijn enige troost is dat ik heel voorzichtig reed en de kat de verkeerde keuze maakte, niets was mijn fout, en ik ben heel blij dat ik dat weet. Ik had het mezelf nooit vergeven moest de situatie anders zijn geweest.
Een gekke anekdote hierbij is wel, en dit heeft in feite totaal niets meer met verkeer te maken, is dat ik even daarna aan Diamant, de enige die ik dit verhaal heb toevertrouwde, het verhaal wou beginnen met: “wil je weten wat ik gedaan heb?” en zij antwoordde “je hebt een kat aangereden”, zonder boe of bah, zonder dat we maar over auto’s bezig waren. Het was mijn gezichtsuitdrukking, mijn toon, zei ze, waardoor ze wist dat dat het juiste antwoord was. Wel, dat noem ik nu eens een vriendin se, iemand die kan raden wat jij gedaan hebt uit de 1001 andere dingen die je zou kunnen gedaan hebben.
En om af te sluiten zullen we het hebben over nog een ongeval, jawel, ik heb mijn best gedaan, dat gelukkig ook een goed einde kende. Het was op allerheiligen en ik ging naar het kerkhof. Bij het inrijden in mijn moeilijke parkeerplaats (ahja, veel volk op het kerkhof he), reed ik achteruit en botste ik frontaal tegen een auto die achter me stond om in een andere plek in te rijden. In paniek stapte ik uit, je kan je wel inbeelden wat ik dacht: 3 ongevallen op amper anderhalve maand, hoe doe ik dat toch? Gelukkig was het een miniem botsingetje. De man vond het precies niet eens de moeite om uit te stappen want pas toen hij mij zag flippen kwam hij uit zijn auto. Uit automatisme schakelde ik over op het Frans – ik was in Brussel namelijk – en ik excuseerde me overvloedig (al vind ik persoonlijk dat die idioot daar niet had moeten staan maar bon dat doet er niet toe) en zei dat ik niets zag aan de auto’s. Waarop die zei dat het niks was en gewoon weer instapte. Handig en vooral, een hele scene voorkomen én het voorval weten geheim te houden voor mijn ouders die vijf minuten later op datzelfde kerkhof moesten toekomen.
Reacties